Hoe is de lijn met Tibbenbroeck? Via de Jeger? Dan neef Johan Boxstart via lijn Berck?
Zie Anton Fahne: https://books.google.nl/books?id=xJtfAAAAcAAJ&vq=horst&hl=nl&pg=PA177#v=snippet&q=horst&f=false
Maar.... daar wordt Aaltje Berck niet als moeder genoemd maar een van Beeck. Een leesfout?
Vanaf 1336 is er sprake van een familie Van Bingerden. Het verband tussen de leden van die familie en het huis is in het begin onduidelijk. Evert Evertszoon van Bingerden trof in 1370 een regeling met Willem Duvel betreffende de Oldemaat, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hij op dat moment de eigenaar van Bingerden was. Van een aantal latere Van Bingerdens is dit wel met zekerheid bekend: Gompart (1382), Johan (1406), Gompart BIN/02/01 (1415), zijn broer Johan BIN/02/02 (1443), Jan BIN/03/01 (1452) en zijn broer Evert BIN/03/02 (1470). Daarna viel de eigendom van het huis via de verdeling van de erfenis van Anna van Bingerden BIN/05/01 in tweeën uiteen. De familie Van der Horst ontving 1/3 deel, 2/3 deel kwam in handen van Ment Swaefken, richter van Doesburg. Zijn zoon Casijn verkocht het in 1641 aan Johan A. van Goltstein GOL/02/02, zoon van Anna van der Horst HOR/03/01 en David van Goltstein GOL/01/01, zodat Bingerden weer in één hand was. Vermoedelijk heeft deze Johan A
. van Goltstein, vanwege zijn militaire carrière bijgenaamd 'de generaal', het huis verbouwd en mogelijk vergroot. Daarbij werd een steen met de wapens van de families Van Goltstein en Lehwalt ingemetseld. Vóór die tijd was het huis vermoedelijk vrij klein en ongeveer vierkant van vorm.
Na het overlijden van Johan A. van Goltstein kreeg zijn weduwe, Maria von Lehwalt, problemen toen zij zich wilde laten belenen met de door haar man nagelaten goederen. De leenheer van Bingerden, de aartsbisschop van Keulen, wilde het leen vervallen verklaren op grond van het feit dat het een manleen was, alleen erfelijk in mannelijke lijn, en op die manier dit florerende goed aan zich trekken. Met hulp van haar rechtskundig adviseur Hermann Pabst PAB/06/02 te Kleef lukte het Maria von Lehwalt een schikking te bereiken, waarbij vererving op alle kinderen en stiefkinderen mogelijk werd. Uiteindelijk werd Johan E. von Wallenrode-Pröckelwitz, de tweede echtgenoot van Maria von Lehwalt, in 1661 met Bingerden beleend. Met dezelfde argumenten weigerde de gravin van den Bergh de belening met de Bingerdense tienden, een groep tienden die bij Huis Bingerden hoorden, maar een Berghs leen vormden. Tegen betaling van een aanzienlijk bedrag was zij echter bereid met de hand over het hart te
strijken.
Toen alle leengeschillen waren bijgelegd was de weg vrij om Bingerden te verkopen. Maria von Lehwalt woonde met haar tweede echtgenoot in het verre Königsberg, zodat een goed beheer moeilijk was. In 1662 verkochten zij Bingerden aan bovengenoemde Hermann Pabst, wiens afstammelingen het tot 1841 in bezit zouden hebben.bron: archief huis Bingerden https://permalink.geldersarchief.nl/DC97053695DE47C7A8F3420B50C2D025