Willem van Walyen, van wien wij lezen, dat hij in 1440 voor den richter van Groenlo verschijnen moet, omdat zijn knechten uit de onlanden bij deze plaats een aantal koeien geroofd hebben. Hij is dood in 1446, als Kunne zijn “echte wieff” en weduwe met haar broer Johan Mensinck als voogd, aan helena van Schouwenburg abdis van het Vredensche Stift, haar goed ‘de Winckel” gelegen bij den hof Doddinkrode in het kerspel Winterswijk, voor zekere geldsom overdraagt. Zij heeft dit goed als morgengave (Het schijnt dus een morganatisch huwelijk geweest te zijn; adellijk heer met dame van lagere geboorte. De laatste kreeg dan een z.g. morgengave. De kinderen erfden slechts van de moeder.) van haar overleden echtgenoot ontvangen.
Hij laat zijn bezitting na aan:
Evert van Walyen, zijn broer, die beleend wordt anno 1447. Wij vinden hem met zijn vrouw Lijse vermeld in een acte van 1449, waarbij zij aan Jutte Reesselinck verkoopen hunne eigenhoorige maagd Mette Ghelekinck, dochter van heijn Ghelekinck en zijn vrouw Fenne; idem ook in een acte van 1477, waarbij hij zijn eigenhoorige Stijne Krabben, ‘wohnhaft in de stadt Gronlo” verkoopt aan Meryen Schenkinne van Erpach, abdis van het Vredensche Stift. bron: oudwinterswijk.nl